nntp2http.com
Posting
Suche
Optionen
Hilfe & Kontakt

Whoehahahaaaaaa DSB Slachtoffers extra geslacht !

Von: Knakworst (hotdog@knakworst.nl) [Profil]
Datum: 04.11.2009 14:08
Message-ID: <7ldcmiF3e2o9bU1@mid.individual.net>
Newsgroup: nl.juridisch
Amsterdam
RAAD VAN DISCIPLINE

in het ressort Amsterdam

BESLISSING d.d. 3 november 2009

in de zaak 09-273U

___________________________________________________________________________

De raad heeft het volgende overwogen en beslist naar aanleiding van het op 1
oktober 2009 ontvangen verzoek ex artikel 60b Advocatenwet van:

De deken van de orde van advocaten

in het arrondissement

tegen:

De heer mr.

verweerder

1. Verloop van de procedure

1.1 Bij brief aan de raad van 29 september 2009, door de raad ontvangen op 1
oktober 2009, heeft de deken van de orde van advocaten in het arrondissement
Utrecht een verzoek zoals bedoeld in artikel 60b Advocatenwet ten aanzien
van verweerder ingediend.

1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting met gesloten deuren van maandag 19
oktober 2009 in aanwezigheid van de deken en de plaatsvervangend deken mr.
H.H. Tan. Verweerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Zijn
raadsman mr. J. van Ravenhorst is wel verschenen. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt. Zowel de deken als mr. Van Ravenhorst hebben
pleitnotities met bijlagen overgelegd, die aan het proces-verbaal zijn
gehecht.

1.3 De raad heeft kennis genomen van:

a. de in 1.1 bedoelde brief van de deken en van de bij die brief gevoegde
stukken;

b. de diverse stukken die voorafgaande aan de zitting nog tussen partijen en
de raad zijn gewisseld..

2. Het verzoek

2.1 De deken verzoekt de raad primair om op voet van artikel 60b van de
Advocatenwet:

a. verweerder met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in
de uitoefening van zijn praktijk;

b. te bepalen dat een door de raad aan te wijzen advocaat in het ressort
Amsterdam naar bevind van zaken handelend die maatregelen mag nemen waartoe
verweerder zelf bevoegd zou zijn, die in het belang van de continuïteit van
verweerders kantoor en de cliënten van verweerders kantoor zijn.

2.2 De deken verzoekt de raad subsidiair om een onderzoek ex artikel 60c van
de Advocatenwet in te stellen naar de toestand waarin de praktijk van
verweerder en verweerders kantoor zich bevindt

2.3 De deken verzoekt de raad zowel primair als subsidiair om een beslissing
over de kosten, waaronder de kosten die ten laste van verweerder kunnen
worden gelegd, aan te houden, althans te bepalen dat deze vooralsnog op ten
hoogste € 10.000 kunnen worden begroot en slechts dan op een hoger –
ten
laste van verweerder te brengen – bedrag kunnen worden gesteld, indien de
raad op basis van het verzoek van de aan te wijzen advocaat hierover een
beslissing neemt.

3. Feiten

Voor de beoordeling van het verzoek kan, gelet op de stukken en hetgeen ter
zitting is verklaard, van het volgende worden uitgegaan:

3.1 Verweerder is sedert 1992 werkzaam als advocaat, laatstelijk te Z. bij
het kantoor dat zijn naam draagt (hierna: “verweerders kantoor”). De
aandelen van verweerders kantoor zijn volledig in handen van B B.V. te
Utrecht. De aandelen van deze houdster¬maatschappij behoren geheel toe aan
verweerder. Voordat hij zijn huidige kantoor oprichtte, was verweerder als
partner verbonden aan kantoor Y. Na het vertrek van verweerder is kantoor Y
in 2007 failliet gegaan. De curator heeft een regeling met verweerder
getroffen inhoudende dat hij tezamen met B B.V. in termijnen een bedrag ad €
175.000 aan de boedel zal voldoen.

3.2 Tegen de advocaten bij verweerders kantoor loopt een aantal
tuchtrechtelijke onderzoeken en procedures (blz. 10 verzoekschrift). Deze
zien vooral op het optreden van het kantoor in zogenaamde
“beleggingsfraudezaken”. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat
verweerder publiekelijk gedane uitspraken betreffende beleggingsfondsen
moest rectificeren (blz. 12 e.v. verzoekschrift).

3.3 De raad van toezicht in het arrondissement Utrecht heeft in december
2008 in overeenstemming met verweerder besloten een onderzoek in te stellen
naar de wijze van praktijkvoering van verweerders kantoor . Reden hiertoe
was naast de ingediende klachten en verzoeken tot bemiddeling, ook de
constante stroom van publicaties en het door één van de klagers
gelegde
beslag op o.a. de kantoorrekening van verweerders kantoor.

3.4 De Utrechtse raad heeft mr. V. en de heer W. RA verzocht om de
praktijkvoering binnen verweerders kantoor te onderzoeken en in het
bijzonder te rapporteren over de volgende punten:

- de praktijkvoering in zijn algemeenheid en de vraag of deze voldoet aan
redelijkerwijs te stellen eisen, waaronder doch niet uitsluitend aan hetgeen
voortvloeit uit de toepasselijke wet- en regelgeving;

- de vraag of de belangen van cliënten zijn gewaarborgd;

- de wijze waarop richting cliënten wordt gedeclareerd;

- de financiële organisatie van de praktijk;

- het gebruik van de derdengeldrekening.

3.5 Het onderzoek heeft geleid tot een rapportage d.d. 9 februari 2009 (blz.
100 van de dekenbrief). Enkele aanbevelingen die zij daarin doen zijn:

“a. Draag er zorg voor dat in ieder nieuw te openen dossier bij het begin
van de behandeling een gedegen procesanalyse wordt opgesteld, waarin kansen
en risico’s worden toegelicht. Draag er zorg voor dat de cliënten
hiervan
(vertrouwelijk) kunnen kennis nemen;

b. Wees terughoudend bij het voeren van publiciteit en wees kritischer bij
het formuleren van berichten over bepaalde zaken. Laat je zo nodig extern
adviseren over de rechtmatigheid van voorgenomen uitlatingen. Voorkom
“cliënten te werven over de rug van een (toekomstige)
wederpartij”;

c. Pas voor zover nodig de dekking aan van de
beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Gelet op de relatief grote belangen
die gemoeid zijn met de behandeling van met name de vastgoedfraudezaken, zou
een dekking van € 4.000.000,= wel eens te laag kunnen zijn;

d. Zorg voor een betere financiële basis voor het aantrekken van een
behoorlijke kantoorfinanciering;

e. Kijk nog eens kritisch naar de kosten die in relatie met de omzet veel te
hoog zijn.”

3.6 Naar aanleiding van dit rapport heeft op 15 april 2009 een gesprek
plaats¬gevonden tussen de betrokkenen. Aldaar heeft de heer W. ten aanzien
van de solvabiliteit, winstgevendheid en liquiditeit van  verweerders
kantoor geconcludeerd dat de onderneming bij terugvallende omzet direct in
liquiditeits¬problemen komt en dat salarissen niet betaald kunnen worden.
Dat betekent een te snelle afbouw in personele zin en ook dat lopende
verplichtingen aan cliënten in gevaar komen. Verder merkt de heer W. op dat
er door hem een beperkt onderzoek is gedaan naar de financiële posities van
B B.V. en van verweerder in privé en dat hij geconstateerd heeft dat deze
onvoldoende zijn om verweerders kantoor te kunnen ondersteunen.

3.7 Naar aanleiding van dit gesprek stelde verweerder dat hij zorg zou
dragen voor een kredietfaciliteit van € 200.000. De personeelskosten zouden
worden terug¬gedrongen. De contracten van de twee bij zijn kantoor werkzame
juridisch medewerkers zouden na medio 2009 niet worden verlengd. Afgesproken
werd dat verweerder vóór 15 mei 2009 schriftelijk zou aangeven
welke
concrete maat¬regelen door hem c.q. door zijn kantoor zouden worden genomen
met name op financieel gebied. Die maatregelen zouden dan ter
becommentariëring worden voorgelegd aan mr. V. en de heer W. Die afspraken
zijn aan verweerder bevestigd bij brief d.d. 5 mei 2009 (blz. 110
verzoekschrift). Ook is verweerder daarin verzocht om de verplichtingen
richting de curator van kantoor Y in zijn reactie te betrekken.

3.8 Vervolgens is in de periode 15 mei 2009 t/m 15 juni 2009 verder
gecorrespondeerd tussen enerzijds mr. Z. namens verweerder en anderzijds de
Utrechtse raad van toezicht (blz. 114 t/m 132 verzoekschrift). Samengevat
legt mr. Z. uit op welke wijze verweerders kantoor aan de aanbevelingen zou
voldoen, terwijl de raad daarop reageert met verzoeken om aanvullende
informatie.

3.9 In zijn brief d.d. 15 juni 2009 (blz. 133 verzoekschrift) reageert de
heer W. op de voorgestelde maatregelen. Kort samengevat komt zijn reactie
erop neer dat uit de overgelegde stukken niet blijkt of de maximale dekking
van de beroepsaansprakelijk¬heidsverzekering daadwerkelijk is verhoogd.
Uiteindelijk concludeert hij dat hij niet over informatie beschikt om te
bevestigen dat de kwetsbare financiële situatie bij verweerders kantoor is
verbeterd.

3.10 Op  19 juni 2009 verzoekt mr. Z. om het patronaat te mogen voeren over
twee nieuwe stagiaires bij verweerders kantoor. Dit verzoek is door de raad
van toezicht afgewezen.

3.11 Bij brief d.d. 31 juli 2009 zendt verweerder de halfjaarstukken over de
eerste helft van 2009 aan de deken, welke aan de heer W. worden
doorgezonden. Naar aanleiding daarvan verzoekt de heer W. om binnen
één week
antwoord te krijgen op diverse vragen over die stukken. Er wordt vervolgens
namens verweerder verzocht om uitstel om deze vragen te beantwoorden.
Verweerder schrijft op 14 september 2009 (blz. 149 verzoekschrift) aan de
deken dat er niet bezuinigd kan worden op personeelskosten, dat de
boekhouder op vakantie is en dat de kwartaalstukken met balans pas in de
tweede week van oktober kunnen worden toegestuurd. Verder zou B B.V. “een
bijzonder aantrekkelijke betalingsregeling hebben getroffen met de curator”
en zou de incidentele omzet “stapje voor stapje” kunnen worden
gerealiseerd.

3.12 Hierop reageert de heer W. in zijn brief d.d. 21 september 2009 (blz.
151 verzoekschrift) met het volgend bericht: “Per saldo ontbreekt mij nog de
meest relevante informatie om een oordeel te kunnen geven over de financiële
situatie bij [verweerders kantoor]. […] Resumerend kan worden gesteld dat
ik
nog steeds geen nadere informatie heb om mijn mening opgenomen in de brief
van 9 februari 2009 en 15 juni 2009, te herzien.”

4. Beoordeling van het verzoek

4.1 Ten aanzien van de primaire verzoeken geldt het volgende.

De raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het
volgende vast.

Het door mr. V. en de heer W. uitgevoerde onderzoek bij verweerders kantoor
leidt onder andere tot de conclusie dat de wijze van optreden van het
kantoor niet zonder risico is en dat de financiële basis van het kantoor
kwetsbaar is.

4.2 Alhoewel de bezwaren al geruime tijd geleden zijn geïdentificeerd en
verweerder ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om zijn praktijk op orde
te brengen, is dat niet gebeurd. Gebleken is dat verweerder eerder
stelselmatig blijft weigeren om de aanbevelingen die hem door de
onderzoekers aan de hand zijn gedaan ter verbetering van de praktijk, te
volgen. De verklaringen die verweerders raadsman in dat verband ter tafel
heeft gebracht brengen daar geen verandering in.

4.3 Voor wat betreft de beroepsaansprakelijkheidsverzekering is ter zitting
gebleken dat de dekking daarvan zelfs nog veel lager is dan het niveau waar
de heer. W. vanuit gegaan is – en wat hij al aan de lage kant achtte.

4.4 De financiële basis van verweerders kantoor is nog altijd kwetsbaar en
daarin is ondanks herhaalde toezeggingen nog geen verbetering opgetreden. De
onderneming lijkt grotendeels te zijn gefinancierd op basis van - deels
onzekere - toekomstige inkomsten. Er is geen kredietfaciliteit gevonden en
er zijn geen zekerheden gesteld. De situatie is dan ook zorgelijk.

4.5 Voor wat betreft de wijze van praktijkvoering blijkt uit de overgelegde
stukken dat verweerder er nog altijd een agressieve wijze van
cliëntenwerving op na houdt en voortdurend de publiciteit zoekt, waarbij
openbare beschuldigingen aan het adres van wederpartijen niet worden
geschuwd. Uit de diverse uitspraken van voorzieningen¬rechters blijkt dat
verweerder daarmee een grens overschrijdt.

4.6 Aan de raad is tevens gebleken dat verweerder – ondanks het verbod van
de raad van toezicht in het arrondissement Utrecht hiertoe – vier stagiaires
zoekt, getuige de advertentie van  verweerders kantoor in het Advocatenblad
van 16 oktober 2009, terwijl inkrimping geboden was, zoals op 15 april 2009
was afgesproken.

4.7 Al met al geeft verweerder hiermee geen blijk zijn praktijk behoorlijk
te kunnen uitoefenen.

4.8 Op grond van deze omstandigheden acht de raad het verzoek tot schorsing
toewijsbaar. Tevens acht de raad het treffen van een voorziening als bedoeld
in artikel 60b lid 1 Advocatenwet noodzakelijk.

4.9 De deken heeft verzocht bij wijze van voorziening een advocaat aan te
wijzen die de bevoegdheid krijgt om beslissingen te nemen waartoe verweerder
zelf bevoegd zou zijn met betrekking tot de praktijkvoering. Gezien de thans
bestaande situatie acht de raad een dergelijke voorziening passend en
noodzakelijk. De taak van de aan te wijzen advocaat zal met name bestaan in
het zo mogelijk realiseren van de onder 3.5 genoemde aanbevelingen en,
indien zulks niet of niet in voldoende mate mogelijk blijkt het treffen van
alsdan passende maatregelen. De raad zal als zodanig aanwijzen, zo lang de
deken dat geraden acht, mr. A. van den End, advocaat te Amsterdam. De raad
zal deze advocaat tevens de bevoegdheid geven om zonodig de sterke arm in te
schakelen.

4.10 De raad zal de aangewezen advocaat de bevoegdheid geven om verweerder
te vertegenwoordigen in het bestuur van de stichting derdengelden, tenzij
daar op een andere acceptabele wijze in kan worden voorzien en voor zover de
statuten van de stichting beheer derdengelden dat toestaan. Een dergelijke
voorziening is ook volgens de raad noodzakelijk vanwege het zwaarwegende en
spoedeisende belang dat ook in financieel opzicht de nodige maatregelen
kunnen worden getroffen ten behoeve van de cliënten van verweerder.

4.11 Ten slotte is de raad van oordeel dat de kosten van de aan te stellen
advocaat ten laste van verweerder dienen te komen. De raad acht het redelijk
dat de advocaat zijn werkzaamheden zal uitvoeren tegen betaling van een
vergoeding van ten hoogste € 250,00 per uur, exclusief btw en reiskosten,
zulks met een (voorlopig) maximum van 120 uur in totaal. Verweerder dient
hiertoe binnen 7 dagen na dagtekening van deze beslissing een voorschot aan
deze advocaat te voldoen van € 10.000,00 exclusief btw en reiskosten op een
door hem aan te wijzen rekening. Zodra het voorschot niet meer toereikend
is, zal op verzoek van betrokken advocaat door verweerder een nader
voorschot van € 10.000,00 exclusief btw en reiskosten moeten worden voldaan
en zo vervolgens tot het (voorlopig) maximum is bereikt. Indien de aan te
stellen advocaat van oordeel is dat voortzetting van zijn werkzaamheden, na
ommekomst van de voornoemde 120 uur passend en geboden is, zal op diens
verzoek worden beoordeeld of daartoe aanvullende gelden zullen worden
toegekend.

4.12 Aan behandeling van het subsidiaire verzoek komt de raad gezien het
bovenstaande niet toe.

BESLISSING

De raad van discipline:

- schorst verweerder met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd in de
uitoefening van de praktijk als advocaat;

- bepaalt bij wijze van voorziening als bedoeld in artikel 60b lid 1
Advocatenwet dat mr. A. van den End, advocaat te Amsterdam, de bevoegdheid
heeft zich toegang te verschaffen tot de ruimte waarin de praktijk van
verweerder wordt gevoerd aan de Boulevard 1 te (3707 BK) Zeist en tot zijn
archieven en tot die zaken en personen als genoemd in artikel 60e lid 1 en 2
Advocatenwet, desnoods met behulp van de sterke arm, en dat deze advocaat
overeenkomstig diens taak, boven onder 4.9 omschreven, in het belang van de
continuïteit van verweerders kantoor en de cliënten van
verweerder naar
bevind van zaken maatregelen mag nemen waartoe verweerder als advocaat zelf
bevoegd zou zijn, een en ander zo lang de deken dat geraden acht en de
aangewezen advocaat zich daartoe beschikbaar houdt;

- bepaalt voor zover hier niet op een andere acceptabele wijze in kan worden
voorzien dat mr. Van den End voornoemd verweerder vertegenwoordigt in het
bestuur van de stichting beheer derdengelden van verweerders kantoor, zulks
met uitsluiting van verweerder zelf, voor zover de statuten van deze
stichting de deken de bevoegdheid geven bestuurders te ontslaan en te
benoemen;

- bepaalt dat mr. Van den End voornoemd zijn werkzaamheden zal uitvoeren
tegen een – ten laste van verweerder te brengen – vergoeding van ten
hoogste
€ 250,00 per uur exclusief btw en reiskosten, zulks met een maximum van 120
uur in totaal;

- bepaalt dat verweerder aan mr. Van den End voornoemd binnen 7 dagen na
dagtekening van deze beslissing op een door hem aan te wijzen rekening een
voorschot zal voldoen van € 10.000,00 exclusief btw en reiskosten;

- bepaalt dat verweerder op eerste verzoek van de aangewezen advocaat en
binnen 7 dagen na dit verzoek nadere voorschotten van € 10.000,00 exclusief
btw en reiskosten zal voldoen tot een  totaal van € 20.000,00 exclusief btw
als (voorlopig) maximum.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2009 door
mr.  H. Brouwer, voorzitter, mr. J.M. van de Laar, mr. P.W.M. Huisman, mr.
B.C. Romijn, mr. M.J. Westhoff, leden, bijgestaan door mr. M.J.E. van den
Bergh als griffier.



voorzitter             griffier



Deze beslissing is in afschrift op 3 november 2009 per aangetekende brief
verzonden aan:



- verweerder

- de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Utrecht

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

- de secretaris van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten

- de voorzitter van de raad voor rechtsbijstand Utrecht

-  de rechtbank te Utrecht

Van deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van
Discipline door:

- verweerder

- de deken van de Nederlandse orde van advocaten

Op grond van artikel 60b lid 4 Advocatenwet schorst het hoger beroep niet de
werking van deze beslissing.

Het beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de
beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift,
waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn
voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud wor¬den ingediend tezamen met
zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de
verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn
moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van
Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

De appelmemorie kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van
Discipline:

a. Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is: Postbus 132,
4840 AC Prinsenbeek.

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Bezorging kan uitsluitend plaatsvinden op de gebruikelijke werkdagen tijdens
de gebruikelijke kantooruren.

c. Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is: 076 - 548 4608. Tegelijkertijd
met de indiening per fax dienen de originele stukken per post te worden
toegezonden aan de griffie van het Hof in het vereiste aantal.

d. Telefonische informatie

076 - 548 4607.


[ Auf dieses Posting antworten ]

Antworten