nntp2http.com
Posting
Suche
Optionen
Hilfe & Kontakt

Re: Carbon 14 Dating

Von: E.N. (egg@nospam.invalid) [Profil]
Datum: 09.10.2004 19:20
Message-ID: <41681df2$0$36861$e4fe514c@news.xs4all.nl>
Newsgroup: nl.religie
"J. J. Lodder" <nospam@de-ster.demon.nl> wrote in message
news:1glch1f.19ja4io1mpn90aN@de-ster.xs4all.nl...
> Elli <elli_silver@hotmail.com> wrote:
>
>> Bs'd
>>
>> http://trueorigin.org/dating.asp#Carbon%2014%20dating
>>
>> Carbon 14 Dating
>>
>> Back to top
>>
>> The following material is from http://www.rae.org/ch04tud.html: (It
>> looks like C14 dating is the "bad boy" of radiometric dating.)
>>
>> Dr. Libby, the discoverer of the C14 method, which won for him a Nobel
>> prize,
>
> En weer bergen verouderd, gekleurd, besmet,
> of fout geinterpreteerd materiaal.
>
> Ga je ook roepen dat er geen bewijs is dat de rekenkunde klopt
> als een of andere oen 42 uit 5 keer 7 krijgt?
>
> Waarom leg je je niet bij de werkelijkheid neer:
> Radiokoolstofdatering is na calibratie voor de laatste 10.000 jaar
> binnen de meetnauwkeurigheden geheel in overeenstemming
> met de leeftijd van hout waarvan de ouderdom door jaarringen tellen
> precies bekend is.

Hoe oud is de oudst bekende boom?
En feit is daar. Radiometing is niet eenduidig en de wetenschap is daar
verschillend in mening.

ontwaakt72 8/8 blz. 12-16 Radiokoolstofdatums gekoppeld aan jaarringen

Radiokoolstofdatums gekoppeld aan jaarringen

DE TITEL van het twaalfde Nobel-symposium was: "Radiokoolstofvariaties en
absolute chronologie". De titel houdt reeds in dat de
radiokoolstofdateringsmethode niet langer als absoluut wordt beschouwd. Op
het symposium lag de nadruk op de variaties in de radiokoolstofdatums en de,
slechts gedeeltelijk geslaagde, pogingen om ze te verklaren. De chronologie
die gebaseerd is op het tellen van jaarringen kwam op dit symposium naar
voren als de absolute chronologie.

<snip>

De patronen aan elkaar passen

Het volgende punt dat opgemerkt dient te worden, is dat geen enkele boom
7500 jaarringen heeft. Hoewel er wordt gezegd dat sommige nog bestaande
bomen meer dan 3000, en zelfs meer dan 4000 jaar oud zijn, is de oudste nog
levende boom die bij de chronologie wordt gebruikt, pas in het jaar 800 G.T.
ontstaan. Men heeft echter ook een dode boom gevonden met ongeveer 2200
jaarringen, en er werden overeenkomsten in het patroon van dikke en dunne
ringen aangetroffen tussen de buitenste lagen van de dode boom en de
binnenste lagen van de nog levende boom. Hieruit kon men afleiden dat de
periode waarin de bomen gelijktijdig hebben geleefd, heeft gelopen van 800
tot 1285 G.T.; de oudere boom kon men nu terugdateren tot 957 v.G.T. Deze
gang van zaken werd met zeventien andere overblijfselen van omgevallen
bomen - waarvan het aantal jaarringen varieerde van 439 tot 3250 - herhaald,
waardoor men met de ringtelling in totaal 7484 jaar terug kon tellen.

U kunt zich nu afvragen: Hoe zeker is het dat de overlappende patronen bij
elkaar passen? Ferguson verzekert ons dat alle zeventien slechts op één
manier aan elkaar gepast kunnen worden. Hij zegt hierover: "De
moeder-chronologie is voor alle betrokken voorwerpen uniek in haar
van-jaar-tot-jaarpatroon; nergens in de tijd wordt over een lange periode de
opeenvolging van brede en smalle ringen op precies dezelfde wijze herhaald,
omdat de van jaar tot jaar optredende wisselingen in het klimaat nooit exact
hetzelfde zijn."9 Veel mensen zullen bereid zijn deze uitspraak meteen als
waar te aanvaarden; andere onderzoekers kunnen, met de woorden van Damon,
tot degenen behoren die de nauwkeurigheid ervan betwijfelen.

Nog een vraag: Als het mogelijk zou zijn een segment van een dode boom op
meer dan één plaats in te passen, door welke overwegingen zou men zich dan
laten leiden bij het uitkiezen van de "juiste plaats"? Een aanwijzing
omtrent het antwoord hierop wordt verschaft door de volgende verklaring van
Ferguson: "Zo nu en dan onderwerpen wij een monster dat afkomstig is van een
nog niet gedateerd exemplaar, aan een radiokoolstofanalyse. De aldus
verkregen datum vormt een aanwijzing voor de globale ouderdom van het
monster, waardoor wordt aangegeven welk gedeelte van de moeder-chronologie
wij moeten afspeuren; op deze wijze kan de jaarringdatum sneller worden
bepaald."10 Ook zijn volgende verklaring is interessant: "De
radiokoolstofanalyse die wij hebben verricht bij een enkel, klein exemplaar
met een serie van 400 ringen van hoge kwaliteit, geeft aan dat dit exemplaar
bij benadering 9000 jaar oud is. Dit houdt grote beloften in voor de
uitbreiding van de jaarringchronologie verder terug in de tijd."11

Het is dus duidelijk dat de koolstof-14-datering soms dient als gids bij het
aaneenpassen van de stukjes van de jaarring-puzzel. Hebben wij door deze
erkenningen reden te vermoeden dat de jaarringchronologie misschien niet zo
goed verankerd is als op het eerste gezicht wel lijkt, maar dat haar
voorstanders voor ondersteuning terugvallen op de radiokoolstofdatering? Een
dergelijke achterdocht is niet ongefundeerd, gezien de volgende uitspraak
van professor Damon, die, nadat hij ons verzekerd heeft van zijn
persoonlijke vertrouwen in de jaarringdatums, zegt: "Het is niettemin
geruststellend de een of andere objectieve vergelijkingsmogelijkheid te
hebben, zoals bijvoorbeeld een andere dateringsmethode. Zo'n mogelijkheid
wordt in feite verschaft door de koolstof-14-datering van historisch reeds
gedateerde monsters."8

Als jaarringdatums zelfs binnen het tijdvak waarin ze nog worden ondersteund
door historische datums, over een periode van slechts 4000 jaar, extra
ondersteund moeten worden door vergelijking met radiokoolstofdatums, wat
valt er dan te zeggen over dezelfde noodzaak voor de periode die daar 4000
of 5000 jaar vóór ligt?

Problemen in verband met het dateren van hout

De pogingen om de wederzijdse ondersteuning van de twee chronologieën te
versterken, worden nog door een andere moeilijkheid gehandicapt, waarover
onder de deskundigen een uitgebreide discussie ontstond. Zelfs bij de
radiokoolstofanalyse van monsters die afkomstig zijn van de Pinus aristata
en die nu als basis voor alle andere radiokoolstofdatums dienen, moet de
mogelijkheid overwogen worden dat de monsters veranderingen hebben
ondergaan. Het is bekend dat er bij anorganische stoffen, als de kalk in de
schaal van schaaldieren en het carbonaat in beenderen, heel gemakkelijk een
uitwisseling kan optreden met andere, opgeloste carbonaten hetzij jonger of
ouder. Om deze reden zijn ze praktisch nutteloos voor de koolstofdatering.
Bij organische stoffen, als houtcellulose, gaat men van de veronderstelling
uit dat er praktisch geen uitwisseling optreedt. Wij kunnen ons echter
afvragen of het zeker is dat de levenssappen van een boom, die weliswaar uit
het dode hout kunnen worden weggewassen, niet gedeeltelijk de uiteenvallende
koolstof 14 hebben vervangen door de stabiele koolstof 12, vooral gezien het
feit dat deze sappen eeuwen of zelfs millennia lang door het hout hebben
gecirculeerd.

<snip>



ontwaakt86 22/9 blz. 23-26 De radiokoolstofklok



Dendrochronologie - datering op basis van de groeiringen van bomen

Geconfronteerd met al deze fundamentele zwakheden hebben de beoefenaars van
de radiokoolstofdatering hun toevlucht genomen tot het standaardiseren van
hun dateringen met behulp van houtmonsters die werden gedateerd door
jaarringen te tellen. Hiervoor leenden zich vooral exemplaren van de
bristlecone pine, de borstelden, die in het zuidwesten van de Verenigde
Staten leeftijden van honderden en zelfs duizenden jaren bereikt. Dit
studiegebied wordt dendrochronologie genoemd.

Men houdt de radiokoolstofklok dus niet meer voor een dateringsmethode die
een absolute chronologie oplevert; ze meet alleen relatieve ouderdommen. Om
de werkelijke datering te krijgen moet de radiokoolstofdatering gecorrigeerd
worden aan de hand van de jaarringchronologie. Het resultaat van een
radiokoolstofmeting wordt daarom nu een "radiokoolstofdatum" genoemd. Door
met deze meting dan een kalibratiecurve gebaseerd op jaarringen te
raadplegen, leidt men vervolgens de absolute datering af.

Deze aanpak geeft betrouwbare resultaten voor zover de telling van de
jaarringen van de borstelden te vertrouwen valt. Nu dient zich het probleem
aan dat de oudste levende boom waarvan de ouderdom bekend is slechts tot 800
G.T. teruggaat. Om de schaal verder door te trekken, proberen geleerden
overlappende patronen van dunne en dikke ringen in stukken dood hout die
daar vlak bij zijn aangetroffen, op elkaar te passen. Door een combinatie
van zeventien stukken van omgevallen bomen beweren zij nu een
jaarringenreeks te hebben die meer dan 7000 jaar teruggaat.

Maar de jaarringenstandaard staat niet op zich. Soms zijn zij er niet zeker
van waar zij een bepaald stuk dood hout moeten inpassen en wat doen zij dan?
Zij vragen een radiokoolstofmeting en gebruiken die om het stuk hout een
plaats toe te kennen. Dit doet denken aan twee lammen met samen maar één
kruk die zij beurtelings gebruiken, waarbij de een eerst een tijdje op zijn
metgezel leunt en hem dan weer helpt om op de been te blijven.

Het is verbazingwekkend dat deze losse stukken hout zo wonderbaarlijk
bewaard zijn gebleven in de open lucht. Men zou denken dat ze zouden zijn
weggespoeld door zware regenval of meegenomen als brandhout of voor een
ander doel. Hoe komt het dat ze niet zijn weggerot of door insekten zijn
aangetast? Het is aannemelijk dat een levende boom de tand des tijds en het
woeden der elementen weet te doorstaan, en dat zo nu en dan een boom duizend
jaar of langer blijft leven. Maar dood hout? Zesduizend jaar lang? Het
vraagt veel van onze bereidheid tot geloven. En dit is het fundament waar de
oudere radiokoolstofdateringen op berusten.

Niettemin hebben de radiokoolstofexperts en de dendrochronologen het
klaargespeeld om zulke twijfels te verdringen en de problemen glad te
strijken, en beide groepen voelen zich happy met hun compromis. Maar hoe
staat het met hun klanten, de archeologen? Die zijn niet altijd gelukkig met
de dateringen die zij krijgen voor de monsters die zij insturen. Een van hen
zei er op de conferentie in Uppsala het volgende over:

"Als een radiokoolstofdatum onze theorieën ondersteunt, zetten wij hem in
onze hoofdtekst. Als hij die niet compleet tegenspreekt, maken wij er een
voetnootje van. En als hij er totaal naast zit, laten wij hem gewoon
vallen."

Enkelen van hen denken er nog steeds zo over. Een archeoloog schreef onlangs
over een radiokoolstofdatering die de vroegste domesticatie van dieren zou
moeten aangeven:

"Archeologen zijn er niet meer zo van overtuigd dat radiokoolstofdateringen
alleen omdat ze uit 'wetenschappelijke' laboratoria komen, direct bruikbaar
zijn. Hoe groter de verwarring wordt met betrekking tot welke methode, welk
laboratorium, welke halveringstijd en welke kalibratie het meest betrouwbaar
is, hoe minder wij archeologen ons slaafs verplicht zullen voelen om welke 'datum'
dan ook die ons wordt geboden, zonder vragen te aanvaarden."

De radiochemicus die de datering had geleverd, antwoordde: "Wij geven de
voorkeur aan feiten die gebaseerd zijn op gedegen metingen - boven een
archeologie die zich baseert op modieuze ideeën of emoties."

Als geleerden zo sterk van mening verschillen over de geldigheid van deze
dateringen die tot het verre verleden van de mens teruggaan, is het dan
begrijpelijk als de leek wat skeptisch reageert bij het lezen van op
wetenschappelijk "gezag" gebaseerde berichten zoals die welke aan het begin
van deze artikelen geciteerd werden?

Rechtstreekse telling van koolstof-14

Een recente ontwikkeling in de radiokoolstofdatering is een methode om niet
alleen de bètastralen van de vervallende atomen maar alle koolstof-14-atomen
in een klein monster te tellen. Dit is vooral nuttig wanneer het gaat om het
dateren van een zeer oud monster waarin slechts een minieme hoeveelheid
koolstof-14 is overgebleven. Van een miljoen koolstof-14-atomen zal er
gemiddeld iedere drie dagen slechts één vervallen. Dit maakt het tot een
zeer moeizame zaak om voldoende radioactiviteit te meten om die te kunnen
onderscheiden van de achtergrond van kosmische straling.

Maar als wij op het moment zelf alle koolstof-14-atomen kunnen tellen zonder
te hoeven wachten tot ze vervallen, winnen wij een miljoenvoud in
gevoeligheid. Dit bereikt men door een bundel positief geladen
koolstofatomen in een magneetveld te buigen zodat de koolstof-14 gescheiden
wordt van de koolstof-12. De lichtere koolstof-12 wordt in een kleinere
cirkel gedwongen en de zwaardere koolstof-14 passeert door een spleet en
wordt geteld.

Deze methode is gecompliceerder en duurder dan het tellen van de
bètastralen, maar heeft het voordeel dat de hoeveelheid materiaal die voor
een test nodig is, duizend keer zo klein mag zijn. Het opent de weg tot een
ouderdomsbepaling van zeldzame oude handschriften en andere artefacten,
voorwerpen van menselijke makelij, waarvan men nooit een monster van
ettelijke grammen aan het dateren zou hebben opgeofferd. Nu kunnen
dergelijke voorwerpen worden gedateerd aan slechts een paar milligrammen
materiaal.

Eén toepassing van de methode zou het dateren zijn van de lijkwade van
Turijn, waarin naar sommigen geloven Jezus' lichaam gewikkeld is geweest
voor zijn begrafenis. Als een radiokoolstofdatering zou aantonen dat de stof
niet zo oud is, zou dat een bevestiging vormen voor de vermoedens van de
twijfelaars die de lijkwade voor bedrog houden. Tot dusver heeft de
aartsbisschop van Turijn nooit een monster voor datering willen afstaan
omdat daarvoor een te groot stuk nodig zou zijn. Maar met de nieuwe methode
zou een vierkante centimeter voldoende zijn om uit te maken of het materiaal
uit de tijd van Christus of uit de middeleeuwen dateert.

Hoe dan ook, pogingen om het tijdsbereik uit te breiden zijn van weinig
betekenis zolang de grotere problemen onopgelost blijven. Hoe ouder het
monster is, hoe moeilijker het is om ervoor te zorgen dat er absoluut geen
spoortje jongere koolstof in aanwezig is. En hoe verder wij voorbij de paar
duizend jaar proberen te gaan waarvoor wij over een betrouwbare kalibratie
beschikken, hoe minder wij weten van het atmosferische niveau van
koolstof-14 in die oude tijden.

Men heeft nog verschillende andere methoden voor het dateren van
gebeurtenissen in het verleden bestudeerd. Sommige hebben direct met
radioactiviteit te maken, zoals het meten van splijtingssporen en
thermoluminescentie. Sommige berusten op andere processen, zoals de
afzetting van warven (laagjes sediment) door stroompjes die van een gletsjer
afkomen en de hydratie bij van obsidiaan gemaakte artefacten.

Racemisatie van aminozuren

De racemisatie van aminozuren is weer een andere dateringsmethode. Maar wat
betekent "racemisatie"?

Aminozuren behoren tot een groep koolstofverbindingen die vier verschillende
groepen atomen aan een centraal koolstofatoom bevatten. De tetrahedrische
(piramide-achtige) plaatsing van de groepen maakt het atoom als geheel
asymmetrisch. Zulke moleculen bestaan in twee vormen. Hoewel ze chemisch
identiek zijn, is de een fysisch het spiegelbeeld van de ander. Een
eenvoudige illustratie hiervan is een paar handschoenen. Ze hebben dezelfde
grootte en vorm, maar de ene past alleen aan uw rechterhand, de andere
alleen aan uw linker.

Een oplossing van één vorm van zo'n verbinding draait het polarisatievlak
van een bundel gepolariseerd licht naar links; de andere soort draait het
polarisatievlak naar rechts. Wanneer een chemicus uit eenvoudiger
verbindingen een aminozuur maakt, krijgt hij gelijke hoeveelheden van beide
vormen. Elke vorm heft het effect van de andere vorm op gepolariseerd licht
op. Dit wordt een racemisch mengsel genoemd: linksdraaiende en
rechtsdraaiende aminozuren zijn in gelijke hoeveelheden in het mengsel
aanwezig.

Wanneer in levende planten of dieren aminozuurverbindingen worden gevormd,
ontstaan die in slechts één vorm, gewoonlijk de 'linkse' of l- (voor levo-)
vorm. Als een dergelijke verbinding wordt verhit, leidt de thermische
beweging van de moleculen ertoe dat sommige binnenstebuiten worden gedraaid,
zodat de linkse vorm nu een rechtse (dextro) wordt. Deze verandering heet
racemisatie. Als dit proces lang genoeg kan voortgaan, levert het gelijke
hoeveelheden l- en d-vormen. Dit is daarom zo interessant, omdat het te
maken heeft met levende organismen, net zoals de radiokoolstofdatering.

Bij lagere temperaturen verloopt de racemisatie langzamer. Hoeveel langzamer
hangt af van de energie die het vergt om het molecule binnenstebuiten te
keren. Het proces verloopt volgens een welbekende chemische wet, de
vergelijking van Arrhenius. Als het aminozuur steeds verder wordt afgekoeld,
gaat de reactie steeds langzamer totdat wij, bij gewone temperaturen,
helemaal niets zien veranderen. Maar wij kunnen nog steeds de vergelijking
gebruiken om te berekenen hoe snel het aminozuur verandert. Er blijkt dat
het tienduizenden jaren zou duren voordat een gemiddeld aminozuur in de
racemische toestand begint te komen waarin zowel de linkse als de rechtse
vorm van de aminozuren in gelijke hoeveelheden aanwezig is.

Het idee achter de dateringsmethode is dit: Als een bot in de grond
terechtkomt en daar blijft liggen, gaat het asparaginezuur (een
gekristalliseerd aminozuur) in het bot langzaam racemiseren. Lange tijd
daarna graven wij het bot op, wij extraheren en zuiveren het overgebleven
asparaginezuur en vergelijken de polarisatiegraad ervan met die van zuiver
l-asparaginezuur. Aan de hand hiervan kunnen wij schatten hoe lang geleden
dat bot een deel was van een levend schepsel.

De vervalcurve is er net zo een als die van een radioactief element. Elk
aminozuur heeft zijn eigen karakteristieke vervalsnelheid, net zoals uranium
langzamer vervalt dan kalium. Maar merk dit belangrijke verschil op: De
snelheid van radioactief verval kan niet beïnvloed worden door de
temperatuur, terwijl racemisatie als chemische reactie heel duidelijk
afhankelijk is van de temperatuur.

Een paar toepassingen van de racemisatiemethode die veel publiciteit hebben
gekregen, waren metingen aan resten van menselijke skeletten gevonden langs
de kust van Californië. Een ervan, de Del-Mar-mens genoemd, werd volgens
deze methode gedateerd op 48.000 jaar. Een ander, het skelet van een vrouw
gevonden in een opgraving dichtbij Sunnyvale, scheen nog ouder te zijn, een
opzienbarende 70.000 jaar! Deze ouderdommen verwekten heel wat beroering,
niet alleen in de algemene pers, maar vooral onder paleontologen, omdat
niemand had geloofd dat er zo lang geleden al mensen in Noord-Amerika waren.
De veronderstelling werd geuit dat er dan wel 100.000 jaar geleden mensen
vanuit Azië over de Beringstraat konden zijn getrokken. Maar hoe zeker waren
de dateringen die door deze nieuwe methode werden geleverd?

Om daar een antwoord op te geven, werden er tests uitgevoerd met een
radiometrische methode waarbij tussenliggende vervalprodukten tussen uranium
en lood gebruikt werden die halveringstijden hebben die zich voor dit
tijdsgebied lenen. Dit leidde tot een ouderdom van 11.000 jaar voor het
Del-Mar-skelet en van slechts 8000 of 9000 jaar voor de vondst van
Sunnyvale. Er klopte iets niet.

De grote onzekerheid bij data die op racemisatie gebaseerd zijn, is de
onbekendheid met de mate van verhitting die het monster heeft meegemaakt.
Zoals hierboven is vermeld, is de racemisatiesnelheid bijzonder gevoelig
voor de temperatuur. Als de temperatuur met 14 graden Celsius stijgt, gaat
de reactie tienmaal zo snel. Hoe kan iemand weten aan welke temperaturen de
beenderen al die jaren in het verleden blootgesteld zijn geweest? Hoeveel
zomers hebben ze onbedekt onder de hete Californische zon gelegen? Of hebben
ze misschien zelfs in een kampvuur of een bosbrand gelegen? Behalve de
temperatuur blijken ook andere factoren de snelheid sterk te beïnvloeden,
zoals de pH (de zuurtegraad). Een bericht zegt: "Aminozuren in afzettingen
vertonen een aanvankelijke racemisatiesnelheid die een orde van grootte
(tien keer) hoger is dan de snelheid die men bij vrije aminozuren bij
vergelijkbare pH en temperatuur vindt."

Zelfs dat is nog niet het einde van het verhaal. Een van de bij Sunnyvale
gevonden beenderen werd getest op radiokoolstof, zowel door het tellen van
de bètadeeltjes van de vervallende atomen als door de nieuwere methode van
het tellen van de atomen. Deze gaven ruwweg dezelfde uitkomsten. Het
gemiddelde was slechts 4400 jaar!

Wat kunnen wij geloven? Kennelijk zijn sommige uitkomsten er faliekant
naast. Moeten wij dan maar het meeste vertrouwen stellen in de
radiokoolstofmethode, aangezien daar meer ervaring mee is opgedaan? Maar
zelfs met die methode leveren verschillende monsters van hetzelfde bot
dateringen op die variëren van 3600 tot 4800 jaar. Wellicht moeten wij
gewoon toegeven, met de woorden van de reeds geciteerde geleerde: 'Misschien
zijn ze allemaal fout.'



[ Auf dieses Posting antworten ]

Antworten